Nieuw jaar, nieuwe baan? Bekijk de aanbiedingen! meer ...
Hydroflex MT-Messtechnik ClearClean HJM



  • F+E & Belangenvereniging
  • Vertaald met AI
Auteur
Dr. Ralph Pennekamp

Vaste ontslagvergoeding en aankoop van rechten bij werknemersuitvindingen

Dr. Ralph Pennekamp
Dr. Ralph Pennekamp

Meer dan 80.000 uitvindingen werden in 2014 in Duitsland aangevraagd voor een patent of gebruiksmodel. 80-90% daarvan zijn gebaseerd op uitvindingen van werknemers. Deze hebben volgens de werknemersuitvinderswet recht op een "redelijke vergoeding". De berekening van deze vergoeding is echter complex en brengt voor bedrijven doorgaans een aanzienlijke administratieve last met zich mee. Het verminderen van deze last door het creëren van een efficiënt en tegelijkertijd innovatief stimulerend beloningssysteem vormt daarom een belangrijk instrument voor bedrijven om hun concurrentievermogen te vergroten.  

1. De bepalingen van de werknemersuitvinderswet (ArbNErfG)

Het doel van de ArbNErfG is een redelijke balans te vinden tussen het arbeidsrechtelijke principe dat de resultaten van het werk aan de werkgever toebehoren en het octrooirechtelijke uitvindersbeginsel. De werkgever heeft de keuze of hij een door zijn werknemer gemelde dienstuitvinding in gebruik neemt of vrijgeeft (§ 6 ArbNErfG). Als hij deze in gebruik neemt, ontstaan hieruit een reeks verplichtingen.

Het belangrijkste is de verplichting van de werkgever tot het betalen van een redelijke vergoeding (§ 9 ArbNErfG). De berekening van de hoogte van de vergoeding is arbeidsintensief en wordt slechts gering vereenvoudigd door de hiervoor geldende vergoedingrichtlijnen (vgl. § 11 ArbNErfG). De eenvoudigste formule voor de berekening luidt:
V (te betalen vergoeding) = E (waarde van de uitvinding) x A (aandeelfactor).

De aandeelfactor wordt bepaald door de positie van de werknemer binnen het bedrijf en is nog relatief eenvoudig te bepalen. In de praktijk vormt de bepaling van de waarde van de uitvinding echter een groter probleem. Deze waarde moet de proportionele economische waarde weerspiegelen die het gebruik van de uitvinding voor de werkgever heeft. Dit vereist meestal een vaststelling van de omzet of andere voordelen (bijvoorbeeld licentie-inkomsten) die met de (octrooi)beschermde producten worden behaald. De administratieve last van deze gebruiksbepaling wordt verder vergroot doordat de vergoeding in principe "lopende" betalingen betreft, dat wil zeggen dat deze jaarlijks moeten worden berekend en betaald.  

Daarnaast heeft de werkgever nog een reeks andere verplichtingen die de administratieve last verder verhogen:
• De verplichting om de dienstuitvinding aan te melden voor een patent of gebruiksmodel in binnen- en buitenland (§ 13 ArbNErfG).
• De verplichting om de uitvinding in het buitenland aan te melden of een vergelijkbare vrijgave te doen voor het buitenland dat niet door de werkgever wordt geëxploiteerd (§ 14 ArbNErfG), en
• Meldings- en aanbiedingsplichten voordat men afziet van of niet verdergaat met het beschermen van rechten (§ 16 ArbNErfG).

2. Wens voor vereenvoudiging en juridische grenzen

Vanwege de beschreven administratieve last bestaat bij werkgevers de wens voor een vereenvoudigde afhandeling en vergoeding van werknemersuitvindingen. Voor velen lijkt het ideaal om de wettelijke verplichtingen en de moeilijk te bepalen uitvindersvergoeding te vervangen door een eenmalige forfaitaire betaling. Dit is in veel landen, zoals de VS, gebruikelijk. Het snelle, tijdige afsluiten van het vergoedingstraject moet ook voordelen bieden voor de werknemer-uitvinder. Zij worden immers eerder vergoed, niet pas na de vaak jaren later ingegane exploitatie van de uitvinding.

De vormgeving van systemen voor uitvindersvergoedingen wordt echter door wettelijke grenzen beperkt. Overeenkomsten die afwijken van de wettelijke bepalingen ten nadele van de werknemer-uitvinder zijn niet toegestaan als ze vóór de melding van de uitvinding worden overeengekomen (§ 22 ArbNErfG). Dergelijke regelingen kunnen dus niet vooraf worden vastgelegd, bijvoorbeeld in arbeidsovereenkomsten. Overeenkomsten na de melding van de uitvinding zijn wel mogelijk, maar mogen niet "in aanzienlijke mate onbillijk" zijn (§ 23 ArbNErfG). Dit is het geval wanneer het volgens de wet of de vergoedingrichtlijnen verschuldigde bedrag meer dan 50% wordt ondergewaardeerd. In dat geval is de werkgever verplicht tot een nabetaling tot het redelijke bedrag, indien de werknemer-uitvinder dit recht binnen 6 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst claimt. Tot slot kan een aanpassing van de vergoeding worden geëist wanneer de omstandigheden die bepalend zijn voor de vaststelling van de vergoeding na de feiten wezenlijk veranderen (§ 12 lid 6 ArbNErfG).

3. Voorstellen voor oplossingen

In de praktijk bestaan diverse modellen voor een vereenvoudigde afhandeling van werknemersuitvindingen. Deze voorzien of in de aankoop van rechten, forfaitaire vergoedingen of een combinatie van beide.  

Een eerste, veelgebruikt model regelt niet de vergoeding voor de uitvinder zelf, maar beperkt zich tot het afkopen van de wettelijke verplichtingen van de werkgever voor het indienen van rechten in binnen- en buitenland, evenals eventuele meldings- en aanbiedingsplichten (§§ 13, 14, 16 ArbNErfG). Hierdoor kan de administratieve last doorgaans aanzienlijk worden verminderd. Het is belangrijk op te merken dat de hoogte van de afkoopsommen niet meer – zoals voorheen – wordt bepaald op basis van vaste, in de industrie gangbare bedragen. Volgens de bevoegde arbitragecommissie voor werknemersuitvindingen is het vooral relevant of de afkoopsommen in de zin van § 23 ArbNErfG in individuele gevallen redelijk zijn (Beschl. v. 18.7.2012, ArbErf 030/10).

Andere modellen betreffen de betaling van eenmalige of in tijd gespreide forfaitaire vergoedingen, die volledig losstaan van de waarde van de uitvinding. Het voordeel hiervan is dat het ingewikkelde berekeningen voor de uitvindersvergoeding vermijdt, maar het risico bestaat dat de betaalde forfaitaire bedragen door de werknemer-uitvinder als aanzienlijk onbillijk worden beschouwd (§ 23 ArbNErfG). De kosten die in een dergelijk geval ontstaan voor het voldoen aan eventuele informatie- en verslagleggingsverplichtingen van de werknemer en een mogelijke (arbitrage)procedure kunnen de voordelen van de forfaitaire vergoeding snel tenietdoen.

Om deze risico's te beperken, worden bij voorkeur modellen toegepast met een eenmalige of in tijd gespreide forfaitaire vergoeding die gebaseerd is op de waarde van de specifieke uitvinding. Dit kan bijvoorbeeld door schattingen te gebruiken van de verwachte omzet en de gebruiksduur van de uitvinding. Om de effectiviteit van dergelijke regelingen te vergroten, kan en moet worden overeengekomen dat de forfaitaire vergoeding niet definitief is, maar in bepaalde gevallen opnieuw intern wordt beoordeeld op haar redelijkheid. Daarnaast is een combinatie met de hierboven beschreven rechtenafkoopmodellen mogelijk om de afhandeling verder te vereenvoudigen. 

De keuze tussen de verschillende modellen vereist altijd een afweging tussen zoveel mogelijk vereenvoudiging aan de ene kant en maximale rechtszekerheid aan de andere kant. Over het algemeen geldt: hoe meer een vergoedingssysteem afwijkt van het wettelijke vergoedingmodel van de ArbNErfG, des te groter het risico dat een vergoedingsovereenkomst in de onbillijkheidssfeer terechtkomt en daardoor aanvechtbaar wordt.

4. Vooruitzichten en aanbevelingen

Het verminderen van de administratieve last is een doel van moderne uitvindersvergoedings- en incentive-systemen. Een ander, even belangrijk doel moet zijn om het innovatiepotentieel van werknemers door gerichte prikkels optimaal te stimuleren, zodat ook de innovatiekracht van het bedrijf wordt versterkt. Naast het creëren van efficiënte en gemakkelijk te hanteren regelingen moet een vergoedingmodel daarom bij voorkeur zo worden vormgegeven dat tijdig gespreide (redelijke) betalingen functioneren als een directe beloning voor de werknemer-uitvinder en daarmee als stimulans en motivatie voor verdere innovaties.

Dr. Ralph Pennekamp is senior associate bij het internationale advocatenkantoor Bird & Bird in Düsseldorf.
Hij is gespecialiseerd in octrooirecht en intellectueel eigendomsrecht.


Bird & Bird LLP
40213 Düsseldorf
Duitsland


Beter geïnformeerd: Met het JAARBOEK, de NIEUWSBRIEF, NEWSFLASH, NEWSEXTRA en de EXPERTENGIDS

Blijf op de hoogte en abonneer u op onze maandelijkse e-mail NIEUWSBRIEF en NEWSFLASH en NEWSEXTRA. Krijg meer informatie over de reinruimtewereld met ons gedrukte JAARBOEK. En ontdek wie de experts op het gebied van reinruimtes zijn in onze gids.

PMS Systec & Solutions GmbH Piepenbrock C-Tec