- Vertaald met AI
Nanomaterialen: ZVO pleit voor classificatie op basis van de deeltjesgrootte
Nanomaterialen vormen de basis van vele innovaties en worden daardoor steeds belangrijker op technisch gebied. Nanomaterialen vormen echter volgens de nieuwste veronderstellingen ook een potentiële bedreiging voor de menselijke gezondheid, omdat ze door hun grootte speciale eigenschappen kunnen bezitten die het materiaal bij grotere deeltjes niet heeft. De Europese Commissie heeft daarom met Verordening (EU) 2018/1881 de registratieverplichtingen expliciet uitgebreid naar de nanovormen van stoffen. Sommige gehanteerde definities en beschouwingen zijn echter volgens het Zentralverband Oberflächentechnik e.V. (ZVO) niet houdbaar.
In de aanbeveling van de Europese Commissie voor de definitie van nanomaterialen 2011/696/EU wordt een materiaal als nanomateriaal beschouwd als het voor minstens 50 procent een deeltjesgrootte tussen 1 en 100 nanometer heeft.
Uit het oogpunt van het ZVO is deze grensstelling wetenschappelijk niet onderbouwd en daarom niet voldoende gerechtvaardigd. Het is echter wel zinvol om de deeltjesgrootte en de deeltjesgrootteverdeling als meetwaarden te gebruiken voor de classificatie.
Het lijkt bovendien twijfelachtig om ook agglomeraten en aggregaten bij deze definitie te betrekken. De aanname dat nanomaterialen uit de matrix kunnen worden losgemaakt, is eveneens wetenschappelijk niet onderbouwd en in ieder geval onwaarschijnlijk. Onderzoeken in de verfindustrie hebben al in verschillende gevallen aangetoond dat zelfs bij schuurprocessen de risico's die van nanolakken uitgaan niet hoger zijn dan bij conventionele lakken. In deze studies zijn geen aanwijzingen gevonden voor een gevaar voor de gezondheid of het milieu.
Materiaalspecifieke benadering leidt tot onnodige en onevenredige inspanningen
Met de publicatie van Verordening (EU) 2018/1881 is een uitgebreide wijziging doorgevoerd in de bijlagen I, III, VI, VII, VIII, IX, X, XI en XII van de REACH-verordening (EG) 1907/2006. De gezamenlijke eis dat nanomaterialen of nanovormen bij de registratie van een stof ook moeten worden onderzocht, druist in tegen de werkingsrelatie. Ook moet worden beoordeeld in hoeverre een groepsbenadering voor de beoordeling zinvol is. De ontoereikendheid van een groepsbenadering voor regelgeving heeft het ZVO elders aangetoond 3. Volgens deze richtlijn moeten alle relevante of mogelijke blootstellingswegen van nanomaterialen bij het in de handel brengen worden meegenomen. De werkgever is verplicht deze inschatting te maken, te beoordelen en een maatregelenplan op te stellen om potentiële gevaren voor de werknemer te voorkomen.
Deze stofgerichte benadering van de deeltjeskenmerken zal leiden tot inhoudelijk onnodige en onevenredige inspanningen. Aangezien de hier te beschouwen potentiële gevaren niet stofafhankelijk zijn, wordt zelfs verwacht dat dit registratiegebied voor veel verschillende stoffen vergelijkbare resultaten zal opleveren. Daarom zou een algemene regelgeving op basis van de deeltjesgrootte (analogie aan bijlage 1, nummer 2, van de Duitse gevaarlijke stoffen-verordening) doelmatiger zijn.
Substitutie van nanomaterialen in de oppervlaktetechniek vrijwel onmogelijk
In de oppervlaktetechniek worden nanomaterialen gebruikt om via de grootte van de deeltjes de eigenschappen van het oppervlak te sturen. In deze toepassingsgebieden komen daarom geen stoffen in aanmerking als alternatief die qua deeltjesgrootte duidelijk verschillen van het oorspronkelijke materiaal.
Voorbeelden:
- Titaniumdioxide als vulstof
- Koolstof zwart/roet als toevoeging in zwart gekleurde formuleringen
- Zinkoxide als pigment
- Siliciumdioxide als afwerking zoals topcoats/sealers
Bij mogelijke alternatieve stoffen wordt niet aangenomen dat deze buiten de definitie van nanomateriaal vallen, waardoor ze qua proces en eigenschappen geen alternatieven voor de oppervlaktetechniek kunnen vormen.
Het blijft daarom vaststaan dat een substitutie van nanomaterialen altijd onmogelijk zal zijn wanneer juist de deeltjesgrootte van cruciaal belang is voor het eigenschappenprofiel.
Het ZVO pleit ervoor om de eigenschappen die afhankelijk zijn van de deeltjesgrootte gescheiden te behandelen van stofeigenschappen. In het bijzonder moet in de CLP-verordening (Classification, Labelling and Packaging = indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels) een passende stofonafhankelijke categorisering worden opgenomen.
Zentralverband Oberflächentechnik e.V.
40724 Hilden
Duitsland








